Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

Marianne Lamberigts-Bonsel – Deel 1: ‘Mamma leerde ons om te zeggen: pappa is in Amersfoort’

De hongerwinter in drie persoonlijke verhalen

Het derde en laatste verhaal over de hongerwinter 1944/1945 wordt verteld door Marianne Lamberigts-Bonsel. Hoewel zij pas tijdens de tweede wereldoorlog werd geboren – 10 mei 1941 – kan zij zich veel gebeurtenissen uit die donkere maanden nog goed voor de geest halen. Vandaag deel 1 van haar verhaal.

Marianne Lamberigts-Bonsel

Marianne Lamberigts-Bonsel

Het bijzondere aan dit verhaal is dat hierin tevens de herinneringen van haar vader Sander Bonsel zijn verwerkt. Hij was als geschiedenisleraar verbonden aan de Rijks HBS in de stad. Op 15 mei 1945 schreef hij een brief aan zijn zus in Delft om hun op de hoogte te brengen van de deplorabele staat waarin Venlo verkeerde. Hij had gemerkt dat mensen in het Westen daar geen weet van hadden. Zeker gezien het feit dat de inwoners van deze zwaar getroffen stad nog een geldinzamelingactie had gehouden voor het Westelijk deel van ons land en dat een actie van het Rode Kruis nog 7.000 gulden had opgebracht. In deze brief wordt een groot deel van deze hongerwinter in tien kantjes door hem verteld. Marianne Lamberigts is in het bezit van dit historische document. Zij biedt de makers en daarmee dus ook de lezers van Venloos Verleden inzicht in zijn verhaal. Een verhaal waarin – geschreven net na de bevrijding – de herinneringen nog vers zijn en waarin de pijn, angst en haat uit die vreselijke periode duidelijk voelbaar zijn.

Onderduiken

Helbeek 85 (tegenwoordig omgenummerd naar nummer 165) werd in deze periode bewoond door Sander Bonsel, Mia Smeets, de 80-jarige oma Anna Smeets-Hoenings en de drie jonge kinderen waarvan de jongste pas enkele maanden oud was. Tevens woonde hier de trouwe hulp Fien. Oma had haar huis op de Kleine Kerkstraat in deze onrustige maanden verlaten. De bombardementen op de Venlose binnenstad – die in het najaar van 1944 begonnen – staan Marianne Lamberigts nog helder voor de geest. Wat ze zag, beangstigde haar. “Ik zag vanuit de achtertuin iets groots en dacht als kind dat het een vrachtwagen was. Maar het ontplofte en met het hele gezin doken wij de kelder in. Ja, dat waren wij al gewend. Dat waren de bombardementen. Omdat er in ons huis behalve een kelder ook een grote kruipruimte was die met een verborgen toegang (met enige voorbereiding) te bereiken was, bood deze tijdens razzia’s voldoende ruimte voor pappa en diverse andere mannen uit de buurt. Het was tevens belangrijk dat wij van het onderduiken geen getuige waren omdat het helaas vaker gebeurde dat de vaders verraden werden als de Duitsers aan de deur kwamen. Dan wezen kinderen waar hun vader in de kast of onder de grond verstopt zat. Mamma had ons echter geleerd te antwoorden:’Pappa is naar Amersfoort.’ Dat was de plek waar veel mannen naar toe werden gebracht en dan zochten de Duitsers niet meer intensief verder. Ook na de oorlog zei ik nog vaak tegen mensen: pappa is naar Amersfoort. Dat was ik zo gewend.”

Geen voedsel

Behalve de angst voor de bombardementen, kreeg het gezin Bonsel tevens met honger te maken. “Er was niet veel te krijgen. Mamma gaf mijn jongste zusje borstvoeding, maar voor de rest van het gezin was het lastig om voldoende eten binnen te krijgen. Het lichaam went daar wel aan, maar natuurlijk is dat niet gezond. Je raakt over de honger heen, maar gaat daardoor wel steeds slechter eten.” Marianne weet dat er toen in die laatste maanden van 1944 veel egoïsme was onder de mensen. “Iedereen keek eerst naar de eigen situatie; dus van delen was nauwelijks sprake. Ook al hadden mijn ouders diverse mondjes te voeden; ze kregen bijna niets. Mijn broertje vertoonde reeds tekenen van ondervoeding. Mamma besloot toen zelf naar Schandelo te fietsen omdat het in verband met mogelijke razzia’s voor pappa te gevaarlijk was. Daar vroeg zij bij een boerderij waar zij de familie kende – en wij eerder ook altijd eieren haalden – voor aanvullend voedsel. Helaas was dat tevergeefs want ze konden niets missen. Als er bij ons toch al iets te eten was, verdeelden zij dit eerst onder de kinderen. Dat was voor mijn ouders het belangrijkste, maar ik kon de ellende soms van hun gezichten aflezen. Pappa at het minste van allemaal.” Het gezin was gedwongen om zich met kleine beetjes te redden en moest daarbij tevens innovatief zijn. “Als er melk was, maakte moeder er pap van. Daar zat het vel nog op en was dus alles behalve smakelijk, maar je at het want je had honger. Echt honger. Het heeft er wel voor gezorgd dat ik na de oorlog nooit meer melk meer heb gedronken. Verder kregen we wel af en toe eten op de bon, maar ook daar was de verdeling schaars.”

Bloeddonor

Doordat Sander Bonsel zich al voor de oorlog als bloeddonor had opgegeven werd hij ook in deze periode vaak opgeroepen om bloed aan de vele slachtoffers af te staan. “Het was een voordeel dat hij vanwege zijn bloedgroep O+ tevens een universele donor was. Hij bleef dan ook vaker in het ziekenhuis omdat het te gevaarlijk was om naar de Helbeek terug te gaan of omdat men niet kon voorspellen hoeveel ernstige gewonden nog werden binnengebracht. Omdat hij zoveel afstond had hij tevens recht op extra voeding dat in het ziekenhuis beschikbaar was. Dat kwam goed uit vanwege het tekort aan eten. Later heeft hij mij wel eens verteld dat het fysiek soms zwaar was, maar psychisch nog erger. Er waren veel mensen die door hun naasten niet gemist konden worden, maar ondanks alle bovenmenselijke inzet van medici en vele anderen toch niet gered konden worden. Dat was hard. Wat hem het meest heeft geraakt was dat bij één van de zwaarste bombardementen een nog jonge leerling van hem op de HBS werd binnengebracht. Medici zagen voor deze leerling geen redding meer. Pappa smeekte echter haar toch een kans te geven. Omdat er snel gehandeld diende te worden, verliep de transfusie rechtstreeks van donor naar slachtoffer. Helaas hielp het niet en kwam zij te overlijden.”

Hitlerjugend en Grüne Polizei

In het verslag dat de vader van het gezin naliet valt tevens zijn afschuw te lezen over het feit dat mensen zomaar op straat door leden van de Wehrmacht werden opgepakt om op het vliegveld op de Hei alles op te ruimen. De daders van deze acties waren echter niet alleen Duitsers, zo blijkt uit zijn relaas. “We hadden hier zo’n halve gare SS-politieagent, een Nederlander, die Venlo gedurende drie maanden geterroriseerd heeft. Die sleurde alles mee en schoot elke vijf minuten zijn pistool leeg. Hij had er een stuk of vijf bij zich en later nog een machinegeweer. Dat heerschap was de ongekroonde koning van Venlo. (Zie hiervoor ook het eerdere verhaal van Theo Ottenheijm)” In het najaar van 1944 krijgt de stad tevens te maken met de Hitlerjugend en de Grüne Polizei. Over de Hitlerjugend schreef Bonsel: “Snotneuzen van 11 tot 15 jaar die ieder met een geweer bedreigden, fietsen stalen en in de huizen kwamen om te stelen wat ze nodig hadden.” Ook over de Grüne Polizei is hij duidelijk in zijn woorden: “het puikje van die moffenzooi.” Uit angst om ontdekt te worden, verbleef de vader van het gezin soms dagen achter elkaar onder de vloer. Een overval was elk moment van de dag mogelijk. Mannen die opgepakt waren, moesten tankgrachten en loopgraven aanleggen. “Als er niet genoeg kwamen, werden er dertig burgers doodgeschoten.” Ondanks alle dreigementen wist Sander Bonsel zichzelf telkens in veiligheid te stellen.

Spelen

Ondanks de angst en de honger probeerde het gezin toch zo goed en kwaad als mogelijk was hun leven te leiden. “Dat bleef natuurlijk lastig,” zo weet Marianne zich te herinneren. “Maar als we in de kelder voor het geweld moesten schuilen dan vertelden pappa en mamma ons, als het mogelijk was, leuke verhaaltjes. Omdat ze onderwijzeres op de school van de zusters op de Grote Kerkstraat was geweest had mamma een hele voorraad aan kinderliedjes beschikbaar. Het leukste liedje vond ik het liedje dat begon met ‘Marietje had rozijntjes en Jan had niemendal….’ dat ik nooit meer ergens ben tegengekomen. Maar ik ken het nu nog steeds van buiten. Pappa leerde vooral aan Max een aantal zaken vanuit de verkennerij waar hij voor en na de oorlog Hopman was geweest. Dat gebeurde gelet op de jonge leeftijd van Max wel op een kinderlijke manier.”

In het tweede deel van dit verhaal komt de zwaarste periode – de wintermaanden – aan bod. Tevens vertelt Marianne Lamberigts over haar verblijf bij een oom en tante in Maastricht en komt ook de periode na de bevrijding van Venlo aan bod. Vanzelfsprekend wordt hierin tevens het verhaal uit de brief van haar vader verwerkt.

Fotografie: Leon Vrijdag
Tekst: Rob Buchholz

[su_spacer size=”10″]

Plaats een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.