Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

Een zwarte dag in oktober: straaljager stort neer in Venlo

1 oktober 1980, een dag die we nooit vergeten!

Het moet ongetwijfeld een enorme klap zijn geweest als op woensdag 1 oktober 1980 een Northrop NF-5A van de Koninklijke Luchtmacht neerstort op de Stalbergweg in Venlo-Oost. De 25-jarige vlieger kwam bij de crash om het leven. Veel Venlonaren zullen zich deze crash absoluut nog kunnen herinneren.

Matt Sleegers, 2e luitenant-vlieger bij de Koninklijke Luchtmacht was die ochtend vanaf de vliegbasis Gilze-Rijen opgestegen voor een routine oefenvlucht. Omstreeks kwart voor tien stortte hij op slechts 100 meter van zijn ouderlijk huis aan de Casinoweg in Venlo neer. Met 300 vlieguren was  hij nog een jonge vlieger die ervaring moest opdoen op de NF-5 om zo door te kunnen groeien naar de F-104 Starfighter.

Hulpverlening
De hulpverlening kwam vrijwel meteen op gang. Brigadecommandant der Koninklijke Marechaussee Venlo,  Kapitein Cees de Bruijn was op het moment van de crash met enkele manschappen op de schietbaan “Groote Heide”. Ze zagen het toestel neerstorten en spoedden zich naar de plek des onheils.

Jiri Ambroz was als een van de eerste brandweermensen ter plekke. “Ik was in die tijd werkzaam bij Pope en lid van de vrijwillige brandweer eenheid Blerick”, verteld hij. De vrijwillige brandweer werd in die tijd overdag alleen ingezet bij grote calamiteiten. Toen de pieper afging spoedde Ambroz zich op zijn brommertje richting brandweerkazerne. Onderweg naar het ongeval werd de eenheid verteld waar ze naar toe gingen en wat de aard van de calamiteit was. Ambroz: “de omgeving lag bezaaid met brokstukken van het vliegtuig, munitie en puin. Overal waren kleine brandhaarden en een van de houten bungelows stond in brand”.

Jiri Ambroz kreeg samen met een collega de opdracht om te onderzoeken of de vlieger zich nog in de cockpit bevond. “Ik was in 1977 in militaire dienst gegaan en nadat ik mijn groot rijbewijs had gehaald ging ik naar opleidingsgroep brandweer LETS (Luchtmacht Elektronische en Technische School) in Schaarsbergen. Hier werd ik in vier maanden opgeleid tot specialistisch brandweerman. We leerden in die tijd o.a. kerosine-branden blussen van soms wel meer dan 2000 liter kerosine per dag. En we leerden hoe we een vlieger uit de cockpit van zijn vliegtuig moesten redden. Belangrijk onderdeel hierbij was het veiligstellen van de schietstoel”. Het was dus een logisch gevolg van zijn opleiding tot specialitisch brandweerman dat Ambroz gevraagd werd om te onderzoeken of de vlieger zich nog in de cockpit bevond. De cockpit was gevonden op ongeveer 200 meter van de Stalbergweg in het water van de aangelegen vijver. Beide brandweermannen gingen het water in en op de tast vonden ze het levenloze lichaam van de vlieger zittend in de cockpit. Al snel merkte Ambroz op dat de schietstoel niet veilig gesteld was, ze bevonden zich in een levensgevaarlijke situatie. De schietstoel kon bij één enkele, foute beweging zomaar geactiveerd worden. De gevolgen hiervan waren niet te overzien geweest. “We hebben honderduizend engeltjes op onze schouders gehad”, aldus Ambroz. Uiteindelijk werden specialisten van de luchtmacht ingeschakeld om de schietstoel veilig te stellen. De taak van Ambroz zat er op. De beroepsbrandweer van Venlo was met voldoende manschappen aanwezig om de brandende bungalow en aangrenzende bomen en struiken te blussen, hij besloot terug te gaan naar zijn werk.

Jiri Ambroz herinnerd zich de gebeurtenissen van deze eerste oktober 1980 nog heel goed. “In mijn latere loopbaan als ambulance-chauffeur heb ik veel calamiteiten en zware ongelukken meegemaakt, maar de vliegtuigcrash is mij altijd bijgebleven. Maar slapeloze nachten heeft Ambroz van de vliegtuigcrash of andere ongelukken die hij als hulpverlener meegemaakt heeft nooit gehad. “Ik heb de gebeurtenissen altijd goed kunnen bespreken met mijn echtgenote Annemary. Wellicht heb ik daarom nooit trauma’s overgehouden aan de dingen die ik gezien heb”.

Andere tijden
In de afgelopen 38 jaar is de hulpverlening behoorlijk veranderd. De brandweermensen van nu zijn beter uitgerust met lichtere gereedschappen en ook training en opleiding is flink verbeterd. Tegenwoordig is de beroepsbrandweer ook opgeleid om goed te kunnen handelen bij een vliegtuigramp. Hulpverleners worden vandaag de dag na een zwaar ongeval of een ramp opgevangen door professionele trauma-teams. Wanneer een hulpverlener na een zwaar ongeval terugkeerd krijgt hij vaak code rood, wat inhoud dat hij zijn dienst kan beeindigen en naar huis mag. “Wij hadden gesprekken met collega’s onderling en met het thuisfront”, verteld Ambroz.

Ook de rol van de pers is tegenwoordig anders. Waar destijds slechts een handje vol pers aanwezig was bij de crash, is in de huidige tijd de pers in grote getale vertegenwoordigt bij een ongeval of calamiteit en vind het nieuws binnen enkele seconden zijn weg over het internet. De professionele hulpverlening maakt tegenwoordig gebruik van moderne communicatie-middelen. Hoe anders was dat op 1 oktober 1980. De beroepsbrandweer beschikte over een oude Ford Transit die ingericht werd als commando-wagen. “We moesten met lange telefoonkabels, via de telefoonaansluitingen in de huizen van omwonenden verbindingen opzetten”, verteld Ambroz. Toch verspreidde het nieuws van de crash zich razendsnel door Venlo en met name door adequaat handelen van de Koninklijke Marechaussee kon het gebied snel afgezet worden en het publiek op een gepastte afstand gehouden worden.

Ooggetuigen
Behalve de Marechaussee, die met een schietoefening bezig waren op de schietbaan “Groote Heide” waren er ook nog enkele andere ooggetuigen van het ongeval. Een 58-jarige man die aan de vijver zat te vissen zag het ongeval gebeuren en raakte lichtgewond door rondvliegende brokstukken. De bewoner van de houten bungalow en zijn 25-jarige huishoudster konden ternauwernood ontsnappen. Beiden werden met brandwonden in het ziekenhuis opgenomen.

Schuin tegenover de bungalow bevond zich café ’t Gildehoés, destijds eigendom van Jan en Sjaan Verberkt uit Venlo. Sjaan Verberkt-Naarding, dochter Sandra en zoon Rob herinneren zich het ongeluk nog als de dag van gisteren. “Ik was die dag jarig en lag nog in bed, verteld mevrouw Verberkt. Buiten hoorde ik het geluid van een vliegtuig akelig dichtbij. Ik liep naar het raam van mijn slaapkamer om te kijken wat er aan de hand was, hoorde een enorme knal en toen ik naar buiten keek zag ik een trein van vuur en brokstukken door de bomen vliegen”. Mevrouw Verberkt wilde snel van de slaapkamer af maar de deur zat op slot. “We woonden boven het café en alle vertrekken waren op dezelfde verdieping. Onze hond maakte regelmatig de deur van de slaapkamer open. Ik wilde uitslapen en om te voorkomen dat de hond mij vroegtijdig zou wekken, hadden ze de deur van de slaapkamer aan de buitenkant op slot gedraaid”, verteld Sjaan Verberkt.

Zoon Rob was ziek thuis, hij voelde zich al een paar dagen niet goed en besloot die dag om niet naar school te gaan maar in plaats daarvan lekker onder de wol te kruipen. Rob was destijds lid van de zweefvliegclub in Venlo en erg geïnteresseerd in alles wat met vliegen en luchtvaart te maken had. “Bij de tweede keer dat ik het vliegtuig over hoorde komen kwam ik uit bed want ik wilde weten wat er aan de hand was”, verteld Rob. “Ik liep naar de keuken, want daar had ik het beste zicht”. Rob zag het vliegtuig een dalende bocht maken en recht op de Stalbergweg afkomen. “Met mijn kennis van vliegen wist ik meteen, dit gaat niet goed”. Tijdens het optrekken zakte het vliegtuig  nog wat door, raakte met de achterkant eerst een paar bomen, ramde het huis en spatte net vóór de straat uit elkaar. De brokstukken lagen tot  200 meter verderop in de vijver. “Ik voelde de hitte van het brandspoor”. Geschrokken loopt Rob terug de woonkamer in om de brandweer te bellen. “Ik wist van de schrik het nummer niet meer, maar gelukkig wist mijn vader het wel en gaf mij het nummer. Ik belde de brandweer en vertelde wat er gebeurt was”. Niemand wist precies wat er aan de hand was. Rob ging samen met zijn vader naar buiten om polshoogte te nemen. “Ik nam een brandblusser mee, want ik wist niet wat ik zou tegenkomen, maar realiseerde mij al snel dat ik met een poederblusser van vijf kilogram niet veel kon uitrichten.  De vuurzee was zó groot dat we niet konden zien of het huizenblok een stukje verder er nog stond. Pas toen de kerosine was opgebrand zagen we dat daar alles nog stond. Door de hitte waren de vuilniszakken die voor de deur aan de straat stonden verschrompeld”.

Mevrouw Verberkt zat dus opgesloten op de slaapkamer en beleefde een paar angstige momenten. “Ik woonde in de oorlog  vlakbij de Maasbrug, in de voormalige tramhalte. De gebeurtenissen riepen bij mij herinneringen op aan de bombardementen op de brug”, verteld Sjaan Verberkt. In alle chaos en paniek waren Rob en zijn vader de huissleutel vergeten en konden niet meer terug naar binnen en Sjaan stond uit het raam te roepen dat ze niet eruit kon. Rob rende de binnenplaats op en klom via de regenton en het platte dak door het keukenraam naar binnen om zijn moeder van de slaapkamer te bevrijden.

Toen het ergste vuur gedoofd was ging Rob met zijn vader en de buren een kijkje nemen bij de vijver. Overal lag puin en munitie. “Ik raapte een paar patronen op maar moest ze snel weer laten vallen, die dingen waren nog gloeiend heet”, verteld Rob.

Sandra was de enige van de familie die niet thuis was. “Ik zat op de Vinckenhof MAVO. Ik was die ochtend gewoon naar school gegaan maar omdat er een staking van de docenten was mochten we eerder naar huis”, herinnert ze zich. “Ik ging nog even langs de drogist in de Vinckenhofstraat om wat snoep te kopen”. Daar hoorde Sandra vertellen dat er iets naar onder was gekomen bij de Zweedse huisjes. Ze zei toen tegen die mensen dat ze daar in de buurt woont en maar snel ging kijken. “Ik zag een grote rookpluim vlak bij ons in de buurt en spoedde mij naar huis. Ik ben nog nooit in mijn leven zo snel de Karel van Egmondstraat op gefietst”, lacht Sandra. Aangekomen op de hoek van de Karel van Egmondstraat met de Stalbergweg wordt ze tegengehouden door militairen die de boel inmiddels afgezet hebben. Sandra doet meerdere pogingen om duidelijk te maken dat ze op de Stalbergweg woont maar ze mag er niet meer door. “Ze geloofden mij niet, blijf maar fijn hier staan kijken”, werd haar verteld. Uiteindelijk wordt Sandra geholpen door een oom. Hij was gebeld door Jan en was, vóórdat de afzetting  geregeld was, al bij ons. Hij verklaard tegenover de militairen dat Sandra inderdaad op de Stalbergweg woont en uiteindelijk wordt ze doorgelaten en kan ze naar huis.

De dagen na het ongeval zijn hectisch en onwerkelijk. De familie Verberkt leeft in een roes en is verdwaast door alles wat er gebeurt is. Er wordt begonnen met puin ruimen en de vijver wordt daarvoor leeggepompt. Het café gaat op slot en wordt ingericht als crisiscentrum. Alle disciplines van luchtmacht tot landmacht en lokale overheden waren aanwezig. Er was overleg en er waren persconferenties. De familie Verberkt wordt geleefd en is erg druk met het zorgen voor alle aanwezigen. Rob herinnert zich vooral de aanwezigheid van de pers en de afkeer die hij nadien aan deze mensen gekregen heeft. “Ze bleven maar vragen stellen over de oorzaak”. Tot grote ergernis van kolonel van der Spek, Rob en zijn vader bleven ze de vlieger “piloot” noemen, ondanks dat de kolonel de pers daar op wees.

Dochter Sandra kreeg als 14-jarige de nodige aandacht van de aanwezige militairen en vond het allemaal wel spannend en interessant. “We mochten ook mee-eten met de soldaten; er stond een gaarkeuken op het terras met hele grote ketels aardappelen en groenten”.

Rob mag later met toestemming van de marechausse foto’s maken. Hij fotografeerd er flink op los totdat een van de marechaussees zegt: “nu is het wel genoeg”. De foto’s zitten in een mooi boek en slechts enkele mensen hebben dit boek mogen inzien. Rob wordt gehoord als getuige en kan aan de hand van een modelvliegtuigje dat hij bezit precies uitleggen wat hij gezien heeft. “Ik had toevallig een schaalmodel van de Northrop NF-5A, welliswaar nog niet in de juiste kleuren maar dat was volgens de heren die mij verhoord hebben geen probleem”, lacht Rob. Tot eind jaren negentig heeft Rob erg veel last gehad van de dingen die hij gezien heeft op die bewuste dag in oktober. “Zeker de eerste jaren, als ik een vliegtuig over hoorde komen kreeg ik het Spaans benauwd en moest en zou ik kijken waar het zich bevond. Onbewust wilde ik mij er van overtuigen dat het veilig was”, verteld hij. Ook bij het zweefvliegen heeft Rob last ondervonden van de gebeurtenissen. Kort na het ongeval vloog hij boven de bewuste plek en kreeg daar een angstig gevoel bij. Hij besloot terug te keren naar de Venlose heide en het zweefvliegtuig aan de grond te zetten. Na uitleg aan een instructeur werd besloten om een paar keer met de tweezitter te vliegen met instructeur. “Ik had ook lange tijd moeite met kritiek op de vlieger van Jan en alleman, ik kon daar kwaad om worden. Iedereen meende te weten hoe het zat”. Een aantal maanden na het ongeval had een instructeur kritiek op sommige manoeuvres van Rob, met de opmerking dat Rob toch echt wel moest weten wat de gevolgen konden zijn. “Ik werd boos, we kregen ruzie en er volgde wat duw en trek werk . We hebben het daarna uitgepraat en er volgden gelukkig geen sancties. Als we elkaar nu tegen komen moeten we erom lachen”.

Ook bij de andere leden van de familie Verberkt hebben de gebeurtenissen een onuitwisbare herinnering achter gelaten en nog vele jaren had  de verjaardag van Sjaan een nare bijsmaak. “In die eerste jaren doken we een beetje in elkaar als er weer eens een straaljager laag over kwam. Maar vooral de eerste periode was erg moeilijk voor ons allemaal”, verteld Sjaan Verberkt. Toen de laatste puin uit de straat verdwenen was, en de laatste militairen vertrokken waren leek pas echt het besef te komen wat er gebeurt was. “Bij het wegrijden van de laatste wagen met puin brak mijn man”, verteld Sjaan. Het voelde als een afscheid. Wat achter bleef was een lege plek in de straat waar eens het huis van meneer Bierman gestaan had. Iemand had een bosje bloemen achtergelaten. “Een mooie herinnering”, zegt Rob. “We waren gebroken, stuk en emotioneel. Slachtofferhulp was er in de tijd nog niet, en dus zochten we steun bij elkaar en probeerden het gewone leven weer op te pakken”. Het café ging weer open, maar al snel werd het etablishement weer gesloten. Alleen een aantal vaste klanten mochten naar binnen.“We werden gek van de ramptoeristen”. Buitenstaanders die alleen maar op sensatie uit waren; ze waren alleen maar geinteresseerd in spannende verhalen en iedereen had een mening die nergens op gebaseerd was.  Daarom hebben Jan en Sjaan uiteindelijk een beeldje op de tap gezet; de aapjes ‘horen, zien en zwijgen’. Daar werd dan naar verwezen als er vervelende vragen waren.

Na een tijdje werden ze door de luchtmacht uitgenodigd op de basis in Volkel, om de andere kant van de luchtmacht te zien. Sandra en Rob vonden dit wel stoer, moeder Sjaan herinnerd zich dat ze die dag erg emotioneel was. De periode afsluiten bleef moeilijk, vooral omdat er in het café telkens over gepraat werd. En ook nu nog, na al die jaren blijft het een pijnlijke herinnering.

De geruchtenmachine komt op gang
Meteen na de crash werd er gespeculeerd over de toedracht van het ongeval. Er deden geruchten de ronde dat de vlieger onverantwoorde vliegbewegingen gemaakt had op geringe hoogte en dat hij een duikvlucht gemaakt had om zijn ouders te groeten. De moeder van Sleegers verklaarde destijds tegenover burgemeester Frans Feij dat zij niet op de hoogte was dat haar zoon op dat moment in het betreffende vliegtuig zat. Andere getuigen beweren dat zij vreemde geluiden aan het overvliegende toestel gehoord hebben. Iedereen die dacht iets gezien of gehoord te hebben kwam met zijn eigen versie van het verhaal.

Conclusie
Luitenant Sleegers was die ochtend opgestegen vanaf Gilze-Rijen met de opdracht om het starten en landen te oefenen. Daarnaast kreeg hij de opdracht voor een zgn. “aircraft-handling”, handelingen om zich vertrouwd te maken met de eigenschappen van het vliegtuig. De oefeningen moesten uitgevoerd worden in het gebied ten noordoosten van Gilze-Rijen, in het gebied tussen Geertruidenberg, Schoonhoven en Den Bosch. Op grond van de vluchtopdracht had hij zich dus nooit boven Venlo mogen bevinden. Er zijn twee mogelijke oorzaken van de crash:

  • Te laat opgetrokken; ieder vliegtuig zakt nog een aantal meter extra door tijdens het optrekken na een dalende lijn.
  • Te langzaam gevlogen; ieder vliegtuig heeft zijn minimum snelheid, kom je daar onder dan val je uit de lucht.

Waarschijnlijk is het een combinatie van beide geweest en was de vlieghoogte te laag om dit te kunnen herstellen. Menselijk falen is de jonge Sleegers uiteindelijk fataal geworden en heeft een onuitwisbare herinnering achtergelaten in het geheugen van de familie Verberkt en alle andere getuigen en omwonenden van de Stalbergweg.

Tekst: Leon Vrijdag
Fotografie: Leon Vrijdag / Gemeentearchief Venlo

  1. jan voss Reply

    Willy Heijnen (Cafe Heynen) eerste straaljagerpiloot van Venlo 1950/1955 begonnen en later straaljager testpiloot vertelde als oorzaak dat als je naar buiten kijkt om de omgeving te verkennen nooit de neus van het vliegtuig omlaag mag staan.

Plaats een reactie

*