Oops! It appears that you have disabled your Javascript. In order for you to see this page as it is meant to appear, we ask that you please re-enable your Javascript!

425 jaar Akkermansgilde

Een instituut dat niet meer uit Venlo weg te denken is.

Toen hertog Reinoud II van Gelre Venlo in 1343 stadsrechten verleende ging de Venlose burgerij zich specialiseren in diverse beroepsgroepen. Naast schippers en kooplieden waren er veel ambachtslieden, zoals wol-wevers, slagers, timmerlieden en kleermakers in Venlo. Deze afzonderlijke beroepsgroepen verenigden zich in gilden. In 1594 werden de boeren, ook wel akkermannen genoemd opgenomen in het Gilde der Akkermannen. Dit jaar bestaat het Akkermansgilde 425 jaar en is hiermee het oudste nog bestaande gilde van Venlo.

Oorsprong
In de veertiende eeuw, een tijdperk van veel politieke en sociale onrust, oorlogen en ziekten zoals de pest ontstonden de broederschappen. Het waren religieuze organisaties die regelmatig samen kwamen voor een gebed of om onderling bijstand te verlenen. Uit de broederschappen zijn veel gilden voortgekomen. Het Akkermansgilde kent zijn oorsprong uit de Onze-Lieve-Vrouwe Broederschap Ingen Daell. Deze broederschap was zeer oud. In bewaart gebleven schepenakten uit 1388 wordt al melding gemaakt van de Onze-Lieve-Vrouwe broederschap Ingen Daell. Net als de broederschappen hadden ook de gilden de belangrijke taak om waar nodig bijstand te verlenen. De akkermannen, of gerdeneers zoals ze in goed Venloos dialect heten woonden en werkten buiten de stadsmuren en kwamen zelden in de stad. “Het was hard werken op het land en de gezinnen waren groot. Als er iemand ziek was dan werd het getroffen gezin financieel bijgestaan vanuit het gilde en het werk werd door collega-akkermannen overgenomen”, vertelt de huidige voorzitter van het Akkermansgilde Bert Kok.

Het Akkermansgilde was veel meer dan alleen maar een ziekenkas. De gerdeneers beschikten over paard en wagen, diverse soorten gereedschappen en heel soms over vuurwapens. Om die reden werden ze door de magistraat van de stad gevraagd om hand -en spandiensten te verlenen. Er werd geholpen bij het lossen van schepen, het vervoeren van goederen en wanneer een misdadiger ter dood veroordeelt was werd door de akkermannen de galg of guillotine opgebouwd. Bij onraad werden de mannen ingezet om de stadsmuren te verdedigen. In ruil voor al deze diensten werden de akkermannen vrijgesteld van het betalen van belasting aan de schepenen.

Lidmaatschap
Op 14 augustus 1595 verkreeg het gilde van de magistraat een reglement van orde. Hiermee kregen de gildemeesters het recht om gildebroeders te bestraffen voor overtredingen. Maar hetzelfde reglement stelde ook de voorwaarden van de verwerving van lidmaatschap vast. In de gilderol van het Akkermansgilde van 1595 stond ten aanzien van de verwerving van het lidmaatschap het volgende: ‘Und hebben wij dieser Broeder- oft geselschappen bij provisie vergunt, dat die vrembde huisluiden, die van buiten inkomende alhier begeren te wohnen, und sich mit bouwwerck to genehren, dieser Broederschap geven sullen in alle eijnen dahler, eenen tinnenwingelspot, ende een pondt wass tot gelucht in oeren capellen’. Uit deze tekst blijkt dat men poorter van de stad moest zijn om lid te kunnen worden van het gilde. Bovendien moest men ook akkerman, ook wel huislieden genoemd, zijn om te kunnen toetreden tot het Akkermansgilde. Daarnaast dienden de nieuwkomers ook inkomgeld te betalen alsmede goederen in natura te schenken. Behalve het inkomgeld golden er ook enkele morele voorwaarden om lid te mogen worden van het gilde, men moest van onbesproken gedrag en katholiek zijn. Deze morele voorwaarden werden niet als zodanig apart vermeld maar werden gezien als vanzelfsprekend.

Men werd dus niet zomaar lid van het gilde. “En dat was in de tijd dat ik lid wilde worden niet anders”, lacht Bert Kok. Als geboren Rotterdammer kwam Bert op 6-jarige leeftijd vanuit Rotterdam in Venlo op de Stalbergweg wonen. “Mijn vader was een rasechte Rotterdammer, in de oorlog werd hij geëvacueerd naar Steyl en leerde daar mijn moeder kennen”, vertelt Bert. “Na de oorlog verhuisde het jonge stel naar Rotterdam maar moest na een tijdje door omstandigheden terug keren naar Venlo”. Bert groeide op tussen de gerdeneers en maakte zodoende ook kennis met het Akkermansgilde.

Door een blessure mocht Bert vanaf zijn zestiende niet meer voetballen en moest noodgedwongen op zoek naar een andere hobby. “Mijn moeder stelde voor om lid te worden van het Akkermansgilde”, vertelt Bert. Echter, één van de voorwaarden om lid te mogen worden was dat je uit een gerdeneers familie kwam. “En daar was in mijn geval geen sprake van”, zegt Bert Kok. Samen met zijn moeder ging Bert op bezoek bij Sjraar Leurs, die naast zijn werk op de veiling een bloemenzaak had op de Stalbergweg. Leurs was destijds secretaris bij het Akkermansgilde en hoorde het verhaal. Bert Kok kwam weliswaar niet uit een gerdeneers familie maar werkte bij de gerdeneers en opa en oma hadden een stuk grond aan de Maas waar groenten verbouwd werden. Dankzij de coulance van Sjraar Leurs kon Bert Kok uiteindelijk als aspirant lid toetreden tot het Akkermansgilde. Tot aan zijn 18e verjaardag bleef Bert aspirant lid om uiteindelijk in 1972 als volwaardig lid toe te treden tot het gilde. In die tijd kon je pas op je 18e lid worden van het Akkermansgilde. Bert bleef twee jaar lang aspirant lid en kon in die tijd geen koning worden, had geen stemrecht en kon tijdens schietwedstrijden geen prijzen winnen. “Dit is in de statuten vastgelegd en wordt tot op de dag van vandaag strikt nageleefd”, vertelt Bert Kok.

Tradities van het gilde
Het Akkermansgilde kende naast een aantal taken ook vele tradities. De meest bekende traditie en het belangrijkste evenement van ieder schuttersgilde is het vogelschieten. “Oorspronkelijk had het Akkermansgilde geen wapens. Het schuttersgilde zoals we dat nu kennen is pas later ontstaan”, zegt Bert Kok. “Waarschijnlijk is dit element er uit pure noodzaak bijgekomen om het eigen en andermans goed en have te beschermen tegen dieven”.

Vroeger vond het vogelschieten altijd plaats met de Sint-Janskermis. Met een geweer werd op een houten vogel geschoten die op een paal bevestigd was. Degene die de vogel afschoot mocht zich koning noemen en mocht als teken van waardigheid het koningszilver dragen. Het vogelschieten was puur vermaak voor de gerdeneers. Eind 19de eeuw kwam er een bond van schutterijen en werden de schietwedstrijden een vast onderdeel van het gilde. De verbroedering met andere schutterijen in Limburg leidde uiteindelijk in 1876 tot het ontstaan van het OLS (Oud Limburgs Schuttersfeest)

Tegenwoordig vindt het vogelschieten plaats tijdens een feestweekend waarvan het koningsfeest een belangrijk onderdeel is. De regerende koning wordt ‘ten zijnen huize’ afgehaald door het gilde en trekt in optocht naar het stadhuis om daar de jaarlijkse schatting te betalen. Na het aanbieden van de schatting die bestaat uit een grote zaaikorf gevuld met groenten, wordt de koning door de burgemeester getooid met de zilveren kroon en koningsstaf. Daarna vertrekt het gilde richting het schietterrein op de Groote Heide waar de koning aftreedt en het koningsschieten begint. Traditiegetrouw wordt er geschoten op een houten vogel totdat er een nieuwe koning bekend is. Schutters die drie jaar achter elkaar het koningsschieten winnen mogen zich keizer noemen.

Voordat het nieuwe clubhuis en schietterrein op de Groote Heide in gebruik werden genomen bevond het zich op een terrein achter café Heijnen aan de Stalbergweg. De Stalbergweg en het omliggende gebied was destijds nog niet bewoond maar naarmate de bewoning toenam leverde het schieten steeds meer gevaar op voor de omwonenden. Bert Kok: “De weg werd met hekken afgesloten en er werd een wachtpost en waarschuwingsborden geplaatst en het schootsveld werd om de 100 meter met een rode vlag gemarkeerd om zodoende de schietwedstrijden te kunnen organiseren en ongelukken te voorkomen. Maar uiteindelijk werd de situatie onhoudbaar en moest er uitgeweken worden naar een ander terrein. In 1964 werd het huidige clubgebouw en het bijbehorende schietterrein op de Groote Heide in gebruik genomen.

Fluas en zijn vrouw
Veel Venlonaren kennen het Akkermansgilde ook van de stadsreuzen Valuas en Guntruud waarmee ze af en toe door de stad trekken. Aan het einde van de middeleeuwen was het in de Zuidelijke Nederlanden gebruikelijk om tijdens processies reuzen-poppen mee te nemen in de optocht. Later werd dit door de bisschop verboden en verdwenen de reuzen-poppen in veel dorpen en steden weer uit het straatbeeld. De magistraat van Venlo kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reuzen te verbannen uit de processie en besloot dat deze dan voortaan voorop moesten lopen. Dit besluit bracht het Akkermansgilde, dat immers van oudsher voorop liep in de processie, in contact met de reuzen-poppen. De bisschop liet het er echter niet bij zitten en verbood in een mandement van 27 juni 1747 het houden van processies waaraan gewapende mannen, muzikanten of profane beelden deelnamen. Er restte de Venlose magistraat niets anders dan het hoofd te buigen en het besluit van de bisschop te respecteren. Bij de Venlose bevolking was het verlangen naar de reuzen-poppen echter zo groot dat de magistraat ze in 1751 opnieuw liet opknappen en toestemming gaf om ze op de Sint-Janskermis rond te dragen. Zo werden twee lastige klippen omzeild: de Venlonaren hadden hun reuzen-poppen weer terug en tegelijkertijd werd het mandement van de bisschop nageleefd.

In 1754 gaf de Venlose drukker Henricus Korsten een boekje uit die de legende van Valuas en zijn vrouw vertelde. Het echtpaar zou geleefd hebben in het begin van onze jaartelling en de stichters van de stad zijn. De Venlonaren vereeuwigden de stichters van de stad in de vorm van twee reuzen-poppen die niets met godsdienst te maken hadden en zodoende ook niet door de bisschop verboden konden worden.

Waar de naam Valuas vandaan komt valt niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk is het een verbastering van ‘Goliath’. Vanaf 1650 heeft de reus verschillende namen: ‘Vulluijes’, ‘Volluas’, ‘Falluus’ of ‘Voluis’. Vanaf 1708 is de reus bekend als Valuas, of Flujas zoals hij door de Venlonaren genoemd wordt. De naam ‘Guntruud’, waarmee de vrouw van Venlo’s stichter aangeduid wordt is pas veel later ontstaan. Ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de stad in 1943 werd het boekje ‘Venlo wie ’t reilde en zeilde’ uitgegeven. In het hoofdstuk omtrent tradities wordt ook gesproken over ‘de poppe van flujas en zien vrouw’. De tekenaar zet boven de illustratie van de stadsreuzen de tekst: ‘Flujas en Guntruud make ein wälske’. Vanaf dan heten de reuzen-poppen ‘Flujas en Guntruud’.

In 1961 waren de poppen toe aan een nieuwe opknapbeurt, ze moesten worden voorzien van nieuwe kleding, nieuw binnenwerk en nieuwe gezichten. Er was veel geld nodig voor het opknappen van de poppen en daarom diende het Akkermansgilde een subsidieverzoek in bij de gemeente. Uiteindelijk ging de gemeenteraad akkoord met een bijdrage van 3500 gulden onder voorwaarde dat het onderhoud en opbergen van de poppen de volledige verantwoordelijkheid van het Akkermansgilde zou worden. Op 27 mei 1962 werden de reuzen-poppen officieel overgedragen aan het Akkermansgilde.

Bestaansfeest
Op 11 en 12 mei wordt het 425 jarig bestaansfeest van het Akkermansgilde groots gevierd met o.a. een spectaculaire optocht op zondag. Aan deze optocht nemen 60 verenigingen deel, bestaande uit schutterijen, muziekverenigingen, reuzengroepen en spectaculaire groepen uit Nederland, Duitsland en België.

Dat het oudste, nog bestaande gilde van Venlo dit jubileum kan vieren is vooral te danken aan de saamhorigheid en de gezelligheid binnen de vereniging, aldus voorzitter Bert Kok. Die saamhorigheid zit in het DNA van de vereniging. “Al waren de gerdeneers vroeger niet altijd vrienden van elkaar. Ze waren vooral ook concurrenten en gunden elkaar soms het licht in de ogen niet. Heel vroeger kwam het wel eens voor dat er tijdens de jaarvergadering van het Akkermansgilde ruzies tussen verschillende families ontstonden. Vaak genoeg werd dit met de vuist opgelost en heel soms moest zelfs de politie er aan te pas komen”, vertelt Bert Kok. Ongeveer vijf jaar geleden zat de vereniging in een zorgelijke situatie wat betreft het leden aantal. De leden klaagden vooral dat het niet meer gezellig was binnen de vereniging. Bert Kok die toen geen voorzitter meer was van het Akkermansgilde nam het besluit om zich weer beschikbaar te stellen als voorzitter en daarmee het tij te keren. Sindsdien neemt het aantal leden weer toe en is er geen geklaag meer over gezelligheid. “Het huidige ledental staat op 35, statutair gezien mogen wij er 52 hebben”, aldus Bert Kok. Het Akkermansgilde is een dure vereniging maar met het huidige aantal leden zijn de kosten goed te dragen. De handgemaakte geweren waarmee geschoten wordt zijn zo ongeveer de grootste kostenpost voor de vereniging. “Een buks kost rond de 12000 euro”, zegt Bert Kok.

De huidige activiteiten van het Akkermansgilde bestaan vooral uit het deelnemen aan de Bondsfeesten, het O.L.S., onderlinge schietwedstrijden en deelname aan optochten in binnen- en buitenland. “Het gilde heeft niet meer de maatschappelijke functie van vroeger, maar vervuld wel een belangrijke rol bij het representeren van de stad Venlo”, zegt Bert Kok. De kleding is afgeleid van de kleding van de boer in vroegere tijden, de kleuren rood en blauw zijn die van de stad Venlo. De voorzitter is positief over het voortbestaan van het gilde. “De leden dragen het rood/blauw vol trots, ze hebben stuk voor stuk een rood/blauw hart. Het Akkermansgilde is niet zomaar een vereniging maar een instituut dat niet meer uit Venlo weg te denken is”, besluit een gruuëtse voorzitter.

Tekst: Leon Vrijdag

Fotografie: Leon Vrijdag, archief Akkermansgilde Venlo

Plaats een reactie

*

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.